De profetieŽn van DaniŽl en het Syrische rijk

Een reactie op "De historische betrouwbaarheid van DaniŽl"

In Bijbel, Geschiedenis en Archeologie van september 1997 stond een artikel van drs. J.G. van der Land over de historische betrouwbaarheid van DaniŽl in het licht van archeologisch onderzoek. In dit artikel wordt beargumenteerd dat het boek DaniŽl niet in de tweede eeuw v.Chr. is geschreven, zoals van schriftkritische zijde wordt beweerd, maar in de zesde eeuw v.Chr. Met de getrokken conclusie kan ik instemmen. De argumentatie is echter deels onjuist, in het bijzonder waar het de interpretatie van de profetieŽn betreft.

In het artikel wordt beweerd dat een aantal profetieŽn op het Romeinse rijk betrekking hebben en niet op het Syrische rijk van Antiochus IV. Daarmee zou aangetoond zijn dat het blikveld van de schrijver van DaniŽl verder reikte dan de tweede eeuw v.Chr. Zo wordt een van de argumenten van de schriftkritiek tegen de historische betrouwbaarheid van DaniŽl onderuitgehaald.

Het is volgens mij echter de verdienste van de schriftkritische theologen geweest dat ze de "Sitz im Leben" van de profetieŽn van DaniŽl, namelijk de grote verdrukking onder Antiochus Epifanes, benadrukt hebben. De fout van de schriftkritiek is dat ze van echte profetie niet weten wil. Maar op zich hoeft het betrekken van de profetieŽn van DaniŽl op het Syrische rijk niet in de strijd te zijn met een bijbelgetrouw standpunt. Bijbelgetrouwe theologen als H.J. de Bie (DaniŽl, in: Tekst voor tekst, Den Haag 1987, pp. 551-567), Tj. Boersma (De Bijbel is geen puzzelboek, Enschede 1977, pp. 135-145, 155-180), C. Vonk (DaniŽl, Kronieken, Ezra, Nehemia, Barendrecht 1988, pp. 7-126) en C. van der Waal (Sola Scriptura 1, Goes 1979, pp. 355-368) brengen de profetieŽn van DaniŽl consequent met Antiochus IV in verband. In het navolgende wil ik proberen aan te tonen dat deze benadering op een solide basis berust.

DaniŽl 2: De droom van Nebukadnezar

Drs. van der Land merkt terecht op dat het tweede rijk in DaniŽl 2 niet het Medische rijk kan zijn (p. 7). Het boek DaniŽl kent een Medisch-Perzisch rijk en geen Medisch rijk dat zou hebben bestaan tussen de periode van het Babylonische en het Perzische rijk. Dit betekent echter nog niet automatisch dat het vierde rijk het Romeinse rijk is. In vers 43 lezen we: "Dat gij gezien hebt ijzer vermengd met kleiachtig leem, betekent: zij zullen zich door huwelijksgemeenschap vermengen, maar met elkander geen samenhangend geheel vormen, zoals ijzer zich niet vermengt met leem." Dit komt overeen met wat in hoofdstuk 11 over het Syrische en het Egyptische rijk gezegd wordt. In DaniŽl 11:6 lezen we: "En na verloop van jaren zullen zij zich verbinden: de dochter van de koning van het Zuiden zal komen tot de koning van het Noorden om een vergelijk te treffen". En DaniŽl 11:17 deelt ons mee: "een vrouw zal hij hem geven om het rijk te gronde te richten". Wat DaniŽl 2:43 ons meedeelt past wel bij het Egyptische en het Syrische rijk als opvolgers van het rijk van Alexander de Grote, maar niet bij het Romeinse rijk.

Ogenschijnlijk doet zich nu een moeilijkheid voor. Als het vierde rijk het Griekse rijk is, dan is het derde rijk het Perzische rijk. Als echter het eerste rijk het Babylonische rijk is, wat is dan het tweede rijk? We moeten er echter op letten dat in DaniŽl 2 nergens staat dat het eerste rijk het Babylonische rijk is. Letterlijk zegt DaniŽl: "Gij, o koning, gij zijt dat gouden hoofd" (vers 37). Als Nebukadnezar het gouden hoofd is, dan representeren de zilveren borst en armen de Babylonische opvolgers van Nebukadnezar.

Van der Land wijst echter ook op DaniŽl 2:44: "Dat het Romeinse rijk het vierde rijk is, blijkt ook uit DaniŽl 2:44 waar staat dat God in die tijd een koninkrijk zal oprichten dat in eeuwigheid niet te gronde zal gaan. Dat koninkrijk der hemelen kwam tijdens het optreden van Christus Jezus, tijdens het Romeinse rijk." (p. 8). Dit lijkt een sterk argument. Als het Nieuwe Testament over het "koninkrijk Gods" of het "koninkrijk der hemelen" spreekt, dan slaat dit direct terug op DaniŽl 2:44, waar we lezen dat "de God des hemels een koninkrijk oprichten" zal. Toch levert de identificatie van het vierde rijk met het Romeinse rijk problemen op. In vers 34 lezen we dat een steen het beeld aan de voeten trof en deze verbrijzelde. We zouden dan verwachten dan het optreden van Jezus tot gevolg had dat het Romeinse rijk vernietigd werd. Dat gebeurde echter niet. De oude kerk hoopte ook niet op de ondergang van het Romeinse rijk. Als in 410 n.Chr. de Goten Rome binnentrekken en er drie dagen lang plunderingen, brandstichtingen, verkrachtingen en moorden plaatsvinden, verdedigt Augustinus zich tegen de beschuldiging dat het christendom tot gevolg heeft dat Rome te gronde gaat (De stad van God, vertaald en ingeleid door Gerard Wijdeveld, Baarn/Amsterdam 1983). De oude kerk bad voor de Romeinse overheid in plaats van op haar ondergang te hopen. "Ik vermaan u dan allereerst smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen te doen voor alle mensen, voor koningen en alle hooggeplaatsten", aldus Paulus in 1 Tim. 2:1-2b. In de brief van Clemens aan de KorintiŽrs vinden we een voorbeeld van een dergelijk gebed: "U hebt hun koninklijke macht gegeven door uw majesteitelijke en onuitsprekelijke kracht opdat we de aan hen door U gegeven heerlijkheid en eer erkennen en wij ons aan hen onderwerpen waarbij we ons in niets tegen uw wil zouden verzetten. Heer, geef hun gezondheid, vrede, eendracht en rust opdat ze de door U gegeven macht onberispelijk uitvoeren." (1 Clemens 61:1).

De uitdrukking "in de dagen van die koningen" (DaniŽl 2:44) is een vrij vage aanduiding die laat zien dat de grote verdrukking onder Antiochus IV gevolgd wordt door de vernietiging van het Syrische en het Egyptische rijk en de komst van het koninkrijk van God. Het Syrische en het Egyptische rijk moesten in de eerste eeuw v.Chr. tegen de Romeinen het onderspit delven. We kunnen daarin de hand van God (vergelijk vers 34) zien. Daardoor kwam er bovendien een stabiele situatie waarin het evangelie van het koninkrijk onbelemmerd verkondigd kon worden. En zo groeide de steen uit tot een grote berg.

DaniŽl 7: De vier dieren uit de zee

Bij DaniŽl 7 gaat drs. van der Land er van uit dat de in dat hoofdstuk genoemde rijken elkaar opvolgen (p. 7). Dat is echter niet de enig mogelijke opvatting. Volgens C. van der Waal hebben we in DaniŽl 7 te maken met vier rijken die gelijktijdig rond de Middellandse Zee bestaan (a.w., p. 356). De vier dieren duiden de rijken aan waarin het Griekse rijk van Alexander de Grote na zijn dood uiteenviel. Het vierde dier is dan het Syrische rijk en de opvallende horen is Antiochus Epifanes.

Dat de vier rijken gelijktijdig bestaan en niet na elkaar optreden blijkt wel uit vers 12: "Ook aan de overige dieren werd de heerschappij ontnomen, en hun werd een levensduur gegeven tot tijd en wijle." Als de vier dieren na elkaar optreden, hoe kan hen dan in de tijd van het vierde rijk de heerschappij ontnomen worden? Die heerschappij was hun dan toch al lang ontnomen?

DaniŽl 9: De gruwel der verwoesting

Over DaniŽl 9 schrijft drs. van der Land: "De profetie in DaniŽl 9:27 over de gruwel der verwoesting heeft betrekking op de verwoesting van de tempel door de Romeinen in 70 n.Chr. Tijdens het optreden van Jezus Christus moest deze voorspelling nog vervuld worden: ‘Als gij de gruwel der verwoesting op de heilige plaats ziet staan waarvan de profeet DaniŽl heeft gesproken…’ (Matth. 24:15)." (p. 5). Dit lijkt een sterk argument, maar is het niet. Jezus verwijst namelijk met zijn woorden niet naar DaniŽl 9:27, maar naar DaniŽl 11:31 en 12:11 (G.Ch. Aalders, DaniŽl (Commentaar op het Oude Testament), Kampen 1962, pp. 229-230). De Septuagint heeft in DaniŽl 9:27 niet: "gruwel der verwoesting", maar "gruwel der verwoestingen". Bij de Hebreeuwse tekst is de afstand tussen DaniŽl 9:27 en de door Jezus gebruikte uitdrukking nog groter.

Bij DaniŽl 11:31 is het heel duidelijk dat we hier in de eerste plaats aan het optreden van Antiochus Epifanes moeten denken. Als Jezus naar DaniŽl verwijst, dan bedoelt Hij niet dat de profetie van DaniŽl over de gruwel der verwoesting nog niet uitgekomen is, maar dan wil Hij aangeven dat tijdens de Joodse oorlog (66-70 n.Chr.) de tempel opnieuw ontheiligd zal worden.

Drs. van der Land schrijft verder: "In DaniŽl 9:26 staat: ‘En het volk van een vorst die komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten.’ Deze profetie slaat niet op het optreden van Antiochus IV. Hij veroverde Jeruzalem en liet de tempel ontwijden, maar hij heeft noch Jeruzalem noch de tempel verwoest." (p. 6). Antiochus heeft stad en tempel niet met de grond gelijk gemaakt, zoals in 70 n.Chr. gebeurde. DaniŽl 9:26 dwingt ons echter niet aan een volledige verwoesting van stad en tempel denken. Als we in het Nieuwe Testament over de verwoesting in het jaar 70 lezen, dan worden er heel wat sterkere termen gebruikt dan in DaniŽl 9. Over Jeruzalem sprak Jezus: "zij zullen in u geen steen op de andere laten" (Lucas 19:44) en over de tempel: "er zullen dagen komen waarin geen steen op de andere zal gelaten worden, die niet zal worden weggebroken" (Lucas 21:6). Dergelijke zware termen worden in DaniŽl 9 niet gebruikt.

De term "te gronde richten" (Nieuwe Vertaling), "verderven" (Statenvertaling) of "verwoesten" (Groot Nieuws) kan heel goed gebruikt zijn om een beperkte verwoesting van Jeruzalem door Antiochus IV en de desolate toestand van de tempel aan te duiden. In 1 MakkabeeŽn 1:31 lezen we over een verwoesting door Antiochus: "Hij plunderde de stad, stak haar in brand en liet de huizen en de stadsmuur omverhalen". Flavius Josephus schrijft over dezelfde gebeurtenis: "De mooiste plekken stak hij in brand en na de muren te hebben neergehaald, bouwde hij een burcht in de benedenstad." (Joodse Oudheden 12:252). Over de tempel lezen we in 1 MakkabeeŽn: "Toen ze de verlatenheid van het heiligdom zagen met het ontwijde brandofferaltaar, met de door brand verwoeste poorten, met het struikgewas in de voorhoven even dicht als in een bos of op een berg, met de vernielde zalen, scheurden ze hun kleren, hieven een luide weeklacht aan, bestrooiden zich met as en wierpen zich plat op de grond" (1 MakkabeeŽn 4:38-40a). Flavius Josephus schrijft verder over de desolate toestand van de tempel: "De Tempel was immers door toedoen van Antiochus in deze desolate toestand gebracht en daarin was drie jaar lang geen verandering gekomen. … De desolate toestand van de Tempel was volledig in overeenstemming met de profetie van DaniŽl, vierhonderdacht jaar eerder, die had onthuld dat MacedoniŽrs de Tempel zouden verwoesten." (Joodse Oudheden 12:320, 322). Mijn conclusie is dat DaniŽl 9:26 heel goed met het optreden van Antiochus IV in overeenstemming te brengen is.

Tenslotte schrijft drs. van der Land: "Volgens de voorstanders van de late datering van het boek DaniŽl is de gezalfde die gedood zal worden (Dan. 9:26) de hogepriester Onias III, die in 171 v.Chr. gedood werd. Gezien wat verder in DaniŽl 9:26 vermeld wordt, moet deze profetie betrekking hebben op de dood van Jezus Christus." (p. 6). Ik neem aan dat hier gedoeld wordt op DaniŽl 9:24: "Zeventig weken zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te voleindigen, de zonde af te sluiten, de ongerechtigheid te verzoenen, en om eeuwige gerechtigheid te brengen, gezicht en profeet te bezegelen en iets allerheiligst te zalven." Tj. Boersma ziet hierin inderdaad een verwijzing naar het werk van Jezus Christus, maar identificeert de in vers 26 genoemde gezalfde niettemin met Onias III. "GabriŽl geeft aan DaniŽl openbaring over de komende tijd, die zal uitlopen op de grote kerkvervolger Antiochus Epifanes. Hij kondigt diens einde aan. Maar dan ziet hij zůmaar in het verlengde dŠŠrvan liggen het nieuwe Grote Begin van Gůd: het koninkrijk van de Messias. DŠt is het perspectief in de historie: het einde van het koninkrijk van de grote tegenstander Antiochus betekent het begin van het koninkrijk van de grote Vredevorst." (a.w., p. 166). Datzelfde perspectief zien we ook in DaniŽl 7:13-14: Na het oordeel over het Syrische rijk volgt de heerschappij van de Mensenzoon. Drs. van der Land heeft dus gelijk als hij van mening is dat de door DaniŽl beschreven gebeurtenissen verder reiken dan de tweede eeuw voor Christus. Hij heeft echter ongelijk als hij denkt dat DaniŽl over het Romeinse rijk spreekt.

DaniŽl 11: Het einde van Antiochus Epifanes

Over DaniŽl 11 schrijft drs. van der Land: "De gebeurtenissen die genoemd worden in DaniŽl 11:40-45 hebben geen betrekking op Antiochus IV. Dit gedeelte gaat over een koning die zal omkomen in Palestina. Antiochus IV stierf in Tabae, in PerziŽ. Vanaf DaniŽl 11:40 gaat de profetie over de antichrist. Antiochus IV was het type van de antichrist." (p. 6). De "hem" in vers 40 is echter dezelfde als de "hij" uit vers 39, namelijk Antiochus IV. De term "eindtijd" mag ons niet laten verleiden aan een eschatologische figuur te denken. In het boek DaniŽl "is het geen specifiek eschatologische term; hier wordt klaarblijkelijk bedoeld de tijd waarop het met de van vs. 21 af getekende koning ten einde loopt" (Aalders, a.w., p. 298). Verder moeten we bedenken dat in vers 45 niet staat: "daar komt hij aan zijn einde", maar: "dan komt hij aan zijn einde". Dat de koning in Palestina aan zijn einde komt staat er dus niet. Wel wordt er een verband gelegd tussen zijn verblijf in Palestina en zijn dood: "Dat van dat verblijf in het Joodse land zo vlak vůůr de voorzegging van zijn dood wordt geprofeteerd, is zeer begrijpelijk; het is de bedoeling te laten uitkomen hoe de wreedaardige tiran, door wie de Joden zoveel te lijden zullen hebben, voor het laatst zijn voet op Palestijnse bodem zet; hij is dan op zijn laatste tocht, die met zijn dood zal eindigen." (Aalders, a.w., p. 304). Er is dan ook geen reden DaniŽl 11:40-45 niet op Antiochus IV te betrekken.

Albert Welleweerd