Evolutie

In het ND van 20 augustus 2007 stond op de opiniepagina een artikel van René Fransen, waarin hij de Bijbel en de evolutietheorie met elkaar in overeenstemming probeerde te brengen. Hij schreef: "Zou God niet, net als een ouderpaar, vol verwachting kunnen hebben uitgekeken naar een wereld waarin het leven opbloeide en zich ontvouwde, geleid door de natuurwetten van de Schepper? Wanneer we dit beeld accepteren ontstaat er ruimte om volop deel te nemen aan het wetenschappelijk debat". Dit beeld is echter een ander beeld dan Psalm 33:9 ons tekent: "Want Hij sprak en het was er, Hij gebood en het stond er."

René Fransen verwees ook naar Augustinus. Ik protesteer tegen deze poging om Augustinus voor het karretje van de evolutietheorie te spannen. Augustinus vat de scheppingsdagen inderdaad niet letterlijk op. Hij schrijft: "Over de aard van deze dagen kunnen we ons of maar heel moeilijk of zelfs onmogelijk een gedachte vormen, laat staan dat wij er iets over kunnen zeggen." (De stad van God, XI, 6). Dat betekent niet dat Augustinus ruimte laat voor een lange tijdsperiode waarin de schepping zich ontwikkeld heeft. Augustinus denkt aan een zesvoudige herhaling van dezelfde dag: "Als er wordt verteld dat de werken van de schepping voltooid zijn door zesvoudige herhaling van dezelfde dag, dan gebeurt dat vanwege de volmaaktheid van het getal zes, niet omdat God een tijdsverloop nodig zou hebben gehad" (XI, 30). Ook is Augustinus van mening dat het verhaal over het paradijs symbolisch mag worden opgevat, maar dan alleen als een extra verklaringslaag en niet in plaats van de letterlijke verklaring: "Deze interpretaties en vele andere, die nog beter kunnen dienen om van het paradijs een geestelijke verklaring te geven, mogen gerust geopperd worden en niemand maakt daar bezwaar tegen. Echter wel op deze voorwaarde, dat men gelooft aan de historische waarheid, zoals ons in dat volstrekt betrouwbare verhaal van de gebeurtenissen wordt voorgehouden." (XIII, 21).

Albert Welleweerd, Deventer